Nederlands Français English

--Klara

Ludwig van Beethoven was zowat de eerste componist die, met zijn vijf cellosonates en enkele variatiereeksen voor cello en pianoforte de cello in het middelpunt van het kamermuziekrepertoire zette. Toegegeven, in de strijkkwintetten van Luigi Boccherini wordt aan de cello(’s) ook wel een glansrol gegeven en ook in de sonates van Beethoven wordt de cello soms nog overschaduwd door de pianoforte. Maar het was zeker nieuw dat Beethoven de cello als melodie-instrument aanzag, en niet slechts als een basinstrument, zoals in de achttiende eeuw veelal het geval was.
Celliste France Springuel en pianist Jan Vermeulen stellen het complete repertoire voor cello en piano van Beethoven voor, gebruik makend van een authentiek instrumentarium (darmsnaren, Tröndlin-pianoforte). Niet enkel de vijf cellosonates, die op twee cd’tjes passen, werden ingespeeld. Een derde cd bevat drie variatiereeksen op thema’s van Mozart en Handel en een versie voor cello van de sonate met hoorn in F, opus 17. De vijf cellosonates omspannen Beethoven hele stilistische ontwikkeling, met twee sonates en een hoornsonate in de classicistische stijl van Haydn, een derde sonate in de persoonlijke, intieme kamermuziekstijl van Beethovens middelste periode en twee late, eigenzinnig opgebouwde, proto-romantische sonates.
De classicistische sonates tonen hoe goed beide uitvoerders elkaar aanvoelen, met een soepel lopend samenspel dat ervoor zorgt delen als het ‘Allegro’ uit de eerste sonate een vlotte cadans bezitten. Opmerkelijk is dat beide vroege sonates, ondanks hun driedelige vorm, openen met een ongebruikelijk langzaam deel. Deze ‘Adagios’ krijgen hier een rapsodische interpretatie mee, met vrij aangevoelde loopjes en versieringen en een maatgevoel dat regelmatig doorbroken wordt.
Een stevig gevoel voor ritme doorspekt de hele opname, wat vooral in de snelle delen een opwindend resultaat geeft. In de geest van uitvoeringen op authentieke instrumenten, wordt het nukkige, soms haast agressieve karakter van Beethoven muziek stevig in de verf gezet. Het resultaat zijn uitvoeringen waarin accenten hard mogen doorklinken, contrasten groot zijn en melodielijnen soms abrupt afgebroken worden. Het smeert het tragische karakter van het eerste deel van de tweede sonate, in g mineur, breed uit.
Van een heel andere aard is de derde sonate. Vanaf de eerste noten, met een vragende, naar onhoog kruipende cellomelodie, betreedt men de wereld van de vroege romantiek, en van Beethovens rijpe composities. Hier is geen componist aan het woord die grandioze muziek schrijft als in de vijfde symfonie of het vijfde pianoconcerto. Hier hoort men de Beethoven van zulke intieme werken als het vierde pianoconcerto, met zijn directe, op mensenmaat geknipte muzikale taalgebruik.
De pianoforte die voor de opname gebruikt werd, is een instrument uit 1830. Het is dus wat te ‘nieuw’ voor de eerste twee sonates of voor de ‘hoornsonate’ maar Jan Vermeulen doet het instrument toch lovenswaardig transparant en kleinschalig klinken. In de late werken laat hij het echter volledig tot zijn recht komen, met een breed palet aan schakeringen en karakterwissels. Het ‘Allegro Vivace’ uit sonate nummer vier, bijvoorbeeld, klinkt bijna orkestraal in de manier waarop Beethoven zijn uitvoerders plots van geluidssterkte laat wisselen.
France Springuel en Jan Vermeulen hebben hier een prachtopname gemaakt van Beethovens integrale werk voor cello en piano, op historische instrumenten om de interpretatie extra autoriteit mee te geven. Het is niet alleen een perfecte illustratie van Beethovens stilistische ontwikkeling doorheen drie decennia maar ook een illustratie van het onbetwistbare meesterschap en de vlotte muzikaliteit van haar uitvoerders.
Steven De Waele

--Pianowereld

Met opvallend lang gerekte frases weet celliste France Springuel haar luisteraars te verleiden en te verrassen. Ze zet slechts spaarzaam vibrato in en vermijdt scherpe, nasale klanken – haar toon is altijd zacht en rond, zodat deze prachtig mengt met de Tröndlin fortepiano die Jan Vermeulen soepel en trefzeker bespeelt. Hun naadloze samenspel onderscheidt zich door een grote ritmische precisie, waarmee ze de door Beethoven noodzakelijke energie als vanzelf lijken op te wekken. Zeer aanbevolen!
Elger Niels

--Klassiekezaken

Fortepianist Jan Vermeulen noemt de finale van Beethovens laatste cellosonate (op. 102 nr. 2) een ‘lichtvoetige wals’ en een ‘exuberant feest vol humor en knipogen’. Opmerkelijk, het zegt veel over de originele visie van de musici op deze complete cello-pianomuziek van Beethoven. Die fuga is immers het toonbeeld van complexiteit en tegendraadsheid. Dat kan het duo Springuel- Vermeulen echter niet van de wijs brengen. Ze trekken de eigen visie door en laten overal een frisse, plezierige en onbekommerde Beethoven horen. Zelfs bij reflectieve passages wordt een gepaste afstand genomen, zonder al te veel zelfbeklag. Wat heerst is musiceervreugde, grip op de materie, technische brille en oog voor detail. Lekker felle staccato’s, voorzichtige ritenuto’s. Merkwaardig is wel dat de syncopen in het middendeel van de Sonate opus 69 hun identiteit is ontnomen: de overgebonden noten klinken tweemaal, vreemd! De perfect gestemde fortepiano uit 1830 en de met darmsnaren bespannen Balestriericello uit 1752 passen mooi bij elkaar. Vooral in de laagte is de cello een lust voor het oor en in hoge registers is slechts zelden sprake van een jank. Met dit staaltje Belgisch vakmanschap vormt deze box een volwassen concurrent van eerdere opnamen, zoals de veelgeprezen Wispelwey-Lazic.
Jos van der Zanden

--Klara

Een driedubbele cd met het integrale werk voor cello en pianoforte van Ludwig Van Beethoven, dat is het resultaat van de intense muzikale samenwerking van celliste France Springuel en pianist Jan Vermeulen. De twee begonnen drie jaar geleden samen te musiceren en de muzikale klik die beiden toen voelden, deed hen besluiten om het repertoire voor cello en piano aan te pakken. Eerst waren er twee Schubertcd’s, dan volgde Schumann, en nu is er dus Beethoven.De sonate voor cello en piano is in feite een uitvinding van Beethoven zelf. Hij was het die beide instrumenten op eenzelfde niveau bracht: de cello wordt ontslagen uit zijn functie als basinstrument en kan nu als gelijkwaardige partner van de piano zijn expressieve zangerige kwaliteiten tenvolle uitspelen. De dans die de twee instrumenten daarbij aangaan, geeft deze bezetting een heel specifiek elan.Beethoven componeerde 5 cellosonates, drie variatiereeksen voor cello en piano, en dan nog een bewerking van een hoornsonate voor cello en piano. Jan Vermeulen speelt voor deze uitvoering op een Tröndlin pianoforte uit 1830, France Springuel op een Balestrieri cello uit 1752. Opvallend is de natuurlijke vertolking: je vergeet bijna dat er een musicus achter het instrument zit en daardoor lijkt het wel alsof Beethoven zelf tot je spreekt. De muziek staat voorop dus, maar van twee rasmuzikanten als Vermeulen en Springuel hadden we ook niet anders verwacht.
Katleen Van Bavel

--Rick’s Pick

For years now, fortepianist Jen Vermeulen has been working his way through the Schubert canon, and the latest installment is this heart-stoppingly beautiful account of the complete works for fortepiano, violin, and cello. Joined by violinist Christine Busch and cellist France Springuel (also playing on early-19th-century instruments), Vermeulen delivers warm, engaging performances of these four pieces, four of them titled as trios and one as a nocturne. The playing on the scherzo and allegro movements is consistently excellent, but the ensemble really shines on the slow movements, which are burnished to a golden glow of bittersweet emotion. Very highly recommended to all classical collections.

--Klara

De eerdere cd-samenwerking tussen pianist Jan Vermeulen en celliste France Springuel, in kamermuziek van Robert Schumann, werd zon jaar geleden in Klara's 10 al fel bejubeld. Op deze nieuwe cd, met daarop alle werken voor pianotrio van Franz Schubert, krijgen ze het uitstekende gezelschap van violiste Christine Busch. Busch speelde ook al met hen mee bij de opname (ook bij Et'cetera) van het Forellenkwintet van Schubert, en onlangs nam ze nog voor PHI, het label van Philippe Herreweghe, de sonates en partita's van Bach op.

 Schoon gezelschap dus op deze nieuwe uitgave, waarop natuurlijk vooral de twee pianotrio's, die Schubert een jaar voor zijn dood componeerde, centraal staan. In het openingsdeel van het eerste pianotrio in Bes, D898, hoor je meteen hoe voortreffelijk deze stukken op oude instrumenten klinken. Alles is voortdurend in beweging, het geheel trekt fris, beweeglijk, verbeeldingsvol en speels aan je voorbij. En, belangrijk in deze werken, het goede humeur overheerst. Aan zijn Tröndlin-pianoforte stuurt Jan Vermeulen, met een niet te stuiten fantasie en energie, deze voortreffelijke uitvoeringen. Maar er is ook ruimte voor intieme gloed, in de dromerige openingsmelodie van het tweede deel bijvoorbeeld, innig, bijna plechtig voorgedragen door achtereenvolgens France Springuel en Christine Busch. Het scherzo krijgt een levendig, dansant karakter, en ook een terecht donker kleurtje. In de finale overheersen vrolijkheid en Weense charme.

 Dezelfde kwaliteiten vind je terug in het tweede trio, waarin deze drie muzikanten een mooie eenheid weten te brengen. Het openingsdeel klinkt tegelijk lyrisch en krachtig, het beroemde andante con moto heeft, door de opwindende muzikale dialogen, een ongewoon geladen sfeer. Schitterend is dat.

 Ook van de twee kortere werken, de bekende 'Notturno' en het jeugdwerk, de 'Sonatensatz', zal je maar moeilijk een betere versie vinden, zeker niet op oud instrumentarium.
Bart Tijskens

--OpusKlassiek

Dit is voor OpusKlassiek een eerste kennismaking met Jan Vermeulen en zijn zorgvuldig gerestaureerde Tröndlin pianoforte, een instrument dat voor de verandering geen kopie is. De bouwer, Johann Nepomuk Tröndlin (1790-1862), was de Steinway van zijn tijd. Zijn werkplaats produceerde vijftig tot zestig instrumenten per jaar, favorieten van Robert en Clara Schumann en Felix Mendelssohn. Het Leipziger Gewandhaus had een jarenlange werkovereenkomst met de firma Tröndlin. Tröndlin leerde het vak in Wenen, maar vestigde zijn bedrijf in Leipzig, waar hij instrumenten vervaardigde volgens het Weense model. De karakteristiek daarvan zit vooral in een dempermechanisme dat de boventonen temt. Tröndlin verkocht zijn bedrijf in 1855, vijfenzestig jaar oud en een rijk man. Eén van zijn instrumenten trotseerde de tand des tijds op een stoffige zolder.
De Belgische fortepianist Jan Vermeulen heeft Tröndlin in zijn armen gesloten, getuige een integrale opname van de pianosonates van Schubert voor het label Etcetera. Eerder in zijn carrière was er sprake van een Tröndlin Pianotrio, maar dat is niet het ensemble dat we op deze dubbel-cd begroeten. Vermeulen vormt sinds 2010 met celliste France Springuel een duo dat grote plannen heeft inzake Beethoven, Schubert en Brahms. Voor deze gelegenheid is het duo uitgebreid met violiste Christine Busch. Uiteraard bespelen beide dames instrumenten die bespannen zijn met darmsnaren, en hanteren ze bijpassende strijkstokken. Beethoven presenteerde zich als componist trots met zijn drie pianotrio’s opus 1 – Schubert sloot zijn kamermuzikale carrière af met twee pianotrio’s. Ze behoren tot de absolute top van het genre, en ook tot het beste dat uit Schuberts pen vloeide. Een vroege Sonatensatz voor pianotrio, D.28, is het enige uitstapje dat we kennen van de jeugdige Schubert. Het blijft raadselachtig waarom Schubert zich volop bezighield met strijkkwartetten en pianosonates, maar het pianotrio tot een jaar voor zijn dood links liet liggen. Het trio dat Jan Vermeulen om zijn Tröndlin pianoforte heeft verzameld kan zich meten met het beste dat de catalogus te bieden heeft. Het meeste daarvan is uiteraard geregistreerd op moderne instrumenten, en vergelijken heeft dan weinig zin. Hier wordt Schubert gepresenteerd op een manier die ons werkelijk terugvoert in de tijd, naar dat wanhopige jaar 1827. Misschien is het daarom dat het langzame deel van opus 100 je door de ziel snijdt. Niet alleen behoort het tot het mooiste dat Schubert ons heeft nagelaten, het idee dat we luisteren naar een instrument dat bijna tweehonderd jaar oud is maakt deze cd tot een onvergetelijke luisterervaring.

--Klara 

Twee muzikanten vonden eind 2010 de perfecte kamermuziekpartner in elkaar: France Springuel en Jan Vermeulen. Na een eerste Schubert-plaat vorig jaar, ligt er nu een tweede cd in de winkels met werken voor pianoforte en cello van Robert Schumann. Een magistrale opname. 
Eerder speelden hun levens zich in aparte werelden af – die van de moderne en die van de oude instrumenten. Maar één telefoontje van Jan Vermeulen en een week bedenktijd deden Springuel besluiten om ervoor te gaan. Zij werkte zich technisch en stilistisch grondig in, bespande haar Tomaso Balestrieri (Cremona, 1752) met darmsnaren, en legde zich met heel haar hart toe op Beethoven, Schubert en Schumann. Aan haar zijde pianoforte-kenner, pedagoog en gerenommeerd Schubert-vertolker Jan Vermeulen, vorig jaar nog door Klara tot Musicus van het jaar gekroond. Hij is voor haar natuurlijk ook voor een stukje mentor in deze materie. Vermeulen bespeelt hier zijn fantastisch mooie Tröndlin (Leipzig, 1835), hét instrument van Schumann. En... het resultaat is magie in de Fantasiestücke op.73, Drei Romanzen op.94, Adagio en Allegro op.70, Märchenbilder op.113 en Fünf Stücke im volkston op.102... sterk emotioneel geladen composities uit het jaar 1849 waarin een zoveelste depressie Schumanns creativiteit sterk aanwakkerde.

 Wat maakt deze uitvoering nu zo bijzonder en zelfs uitzonderlijk? De instrumenten, om te beginnen. De lichtere klank van de darmsnaren lijkt als vanzelf ineen te vloeien met de warme sonore bassen van de 80 jaar jongere Tröndlin. Mit innigem Ausdruck, mit melancholischem Ausdruck, Zart und mit Ausdruck, Rasch und feurig,… de instrumenten lijken niet alleen de perfecte tolk voor Schumanns pertinente voorschriften, ze maken van de vaak 'donker' en getormenteerd geïnterpreteerde partituur een transparantere en meer verinnerlijkte vertelling. 

Een ander opvallend punt. Springuel en Vermeulen respecteren rigoureus iedere tempoaanduiding van Schumann, zelfs als dat zoals in het eerste deeltje van 5 Stücke in Volkston haast onspeelbaar is. Schumann die zelf geen strijkinstrument bespeelde trok zich niets aan van de moeilijkheidsgraad... maar dit duo heeft erop gewerkt tot het lukte. Het herinnert er ons bovendien aan dat France Springuel tot tien jaar geleden nog als een van 's werelds grootste cellisten 6 maanden per jaar op de wereldpodia speelde, en dat 25 jaar lang. Dat ze nu terug is, na een persoonlijke 'innere Reise', is een zegen voor de muziek en voor het publiek.

 Een derde opvallend punt is het samenspel, een perfect geoliede machine waarin zij een zeldzaam begrip tonen voor elkaars inbreng en betrokkenheid. Hun interpretatie is dienend, sereen, en ongelofelijk bevlogen en pakkend. Ze getuigt van een rijpheid, eigen aan professionals van een zekere leeftijd en met een palmares van betekenis. Ze hoeven niets meer te bewijzen, enkel de muziek te laten spreken.

 Toevallig, maar ook niet helemaal, hoorden we Jan Vermeulen en France Springuel dit programma afgelopen zondag spelen in de Gentse Parnassuskerk. We wilden weten of dit live ook zo zou overkomen... En jawel. Indrukwekkend was te zien en te horen hoe beiden kamermuziek speelden, als twee lepeltjes in elkaar. Eén golf, één beweging, één lichaam dat ademt, één visie. Blijkbaar was de cd-opname ook 'in één geut' kunnen gebeuren. Dit kamermuziekgeluk is zeldzaam, maar het bestaat dus écht.

 Tot slot: Robert Schumann heeft ooit gezegd: "De missie van de kunstenaar is licht te sturen naar de diepte van het menselijk hart". Met deze pakkende vertolking van Schumanns innerlijke pijn is die missie alvast volbracht.
Greet Van 't veld

--Ouverture

Robert Schumann, wie man ihn noch nie gehört hat: Jan Vermeulen, ein ausgewiesener Hammer-klavier-Experte, versucht auf dieser CD, dem originalen Klang bekannter Klavierstücke wie Waldszenen op. 82, Kinderszenen op. 15, Papillons op. 2, Arabeske op. 18 und Blumenstück op. 19, Etudes Symphoniques op. 13 und Album für die Jugend op. 68 möglichst nahe zu kommen. Dazu spielt er einen Flügel aus der Werkstatt von Johann Nepomuk Tröndlin (1790-1862), einem Leipziger Klavierbauer, der Instrumente in Wiener Tradition fertigte - auch Schumann wird sie wohl gekannt haben. "Der Klang des Instruments vereint ein warmes und singendes Mittelregister, sonore runde Basstöne und ein klares Diskantregister, das diesem Instrument einen längeren Nachklang verleiht als ihn die oft zierlicheren Wiener Instrumente aufweisen", so der Pianist. Als die größte Überraschung aber erweist sich seine Tempowahl: Vermeulen hat sich bei dieser Aufnahme bemüht, Schumanns Metronomvorgaben strikt Folge zu leisten. Der Briefwechsel des Komponisten zeigt, dass ihm das korrekte Tempo eigentlich ziemlich wichtig war. Dennoch ist es erstaunlich, wie wenig sich die Pianisten heute darum scheren. Wie extrem doch viele Musiker von seinen Tempovorgaben abweichen, und welchen Effekt das hat, das kann man beim Anhören dieser CD deutlich erkennen. So wird die Träumerei üblicherweise viel zu langsam gespielt, was ihr einen grüblerischen Charakter gibt, der so offenbar nie beabsichtigt war. Wer die Arabeske zu langsam angeht, der macht sie zu einem rührseligen Biedermeierstück. Dafür werden etliche Stücke aus den Papillons oftmals zu rasch gespielt, was sie von Charakterstücken zu virtuosen Etüden werden lässt. "Es hat mich Zeit und Mühe gekostet, Automatismen und bedenkliche Traditionen abzulegen", berichtet der Musiker in dem informativen Beiheft, "und doch bin ich über- zeugt, dass mich diese Anstrengungen Schumanns Intentionen näher gebracht haben. Der Hörer möge das selbst beurteilen, und wie auch mir wird es ihm manchmal schwerfallen, Schumanns zuweilen überraschende Tempi zu verstehen und zu akzeptieren." Mitunter hat man beim Anhören den Eindruck, dass Vermeulen einen lang verlorenen Schlüssel wiedergefunden hat, der vergessene Klangräume öffnet. Diese CD ist ohne Zweifel der wichtigste Nachtrag zum Schumann-Jubiläumsjahr 2010.

--Diverdi

Recientes aún los ecos solemnes del año Schumann, Accent, el emprendedor sello de los descubrimientos musicales, nos ofrece un recital pianístico a cargo de Jan Vermeulen a modo de colofón de aquellos fastos y, sobre todo, de emotivo recorrido por algunas de las páginas más bellas escritas para este instrumento por el genio de Zwickau. Se trata de obras bien conocidas, grabadas muchas veces por los grandes pianistas del siglo XX, y sobre las que resultaría vano siquiera esbozar ahora elogio alguno, pero en esta grabación, lejos de proponernos un ejercicio vacuo de virtuosismo innecesario, Vermeulen apuesta por supeditarse a la partitura y adentrarse en los senderos más íntimos del alma romántica. Completamente comprometido con un repertorio que ama y domina, el pianista belga nos ofrece unas lecturas en las que cada matiz, cada frase musical se estructuran en variadas arquitecturas emocionales, vívidas y de tonalidades ocres a tiempos iguales, en un diálogo de infinita belleza entre melodías sublimes y sentimientos de honda melancolía e inocente ingenuidad. No debería pasar por alto en este juego exquisito de contrastes, el sonido del fortepiano de Johann Nepomuk Tröndlin construido en Leipzig entre 1830 y 1835, un instrumento que sintetiza a la perfección la esencia romántica y el lenguaje pianístico de Schumann en sonidos reflexivos, envolventes y melancólicos pero a la vez de amplias y profundas dimensiones musicales. Doy por todo ello mi más sincera enhorabuena a Vermeulen y Accent por este magnífico trabajo y reitero al lector mi recomendación más sincera de este álbum, pues, en mi opinión, estamos ante uno de los mejores, quizá el mejor, de los editados con motivo del bicentenario del nacimiento de Robert Schumann. Francisco de Paula Cañas Gálvez

--Diverdi

Met de feestelijke echo's van het Schumannjaar nog vers in het oor, biedt de voornaamste uitgever van muzikale ontdekkingen, ACCENT, ons een pianorecital aan door Jan Vermeulen, als hoogtepunt in deze weelderige en bovenal gevoelsrijke tocht door enkele van de mooiste bladzijden uit het werk van het genie van Zwickau. Het gaat om bekende werken, reeds vele keren opgenomen door de grootste XXste eeuwse pianisten die men niet genoeg kan loven. Maar in deze opname slaagt slaagt Vermeulen er in, wars van alle nodeloze viruositeit en door zich trouw aan de partituur te houden, door te dringen tot de diepste roerselen van de romantische ziel. Volkomen vertrouwd met een repertoire waar hij van houdt en dat hij beheerst, vergast de Belgische pianist ons op een lectuur waarin iedere nuance en elke muzikale frase tot hun recht komen in afwisselende gevoelsstructuren, krachtig en levendig, met okeren tinten en afgemeten tempi, in een eindeloze dialoog tussen subtiele melodieën en gevoelens van diepe melancholie en naieve onschuld. In dit spel van uitgelezen contrasten mag de klank van de fortepiano niet onvermeld blijven, een instrument door Johann Nepomuk Tröndlin in Leipzig gebouwd tussen 1830 en 1935 en dat op volmaakte wijze de essentie van de romantiek en de pianistieke taal van Schumann in zich verenigt in klanken die tegelijk bespiegelend, meeslepend en melancholisch zijn in hun brede en diepe muzikale dimensies. Mijn welgemeende felicitaties aan Vermeulen en Accent voor deze prachtige prestatie. Mijn lezers beveel ik dit album ten zeerste aan want volgens mij gaat het hier om een van de beste uitgaven, wellicht dé beste, ter gelegenheid van het tweede eeuwfeest van Robert Schumanns geboorte. Francesco de Paula Cañas Gálvez

--Codaex

Die Kammermusikwerke von Franz Schubert (1797-1828) gehören zu den unbestrittenen Höhepunkten des Musikschaffens des 19. Jahrhunderts und sind vielfach aufgenommen worden. Schubert konnte nicht nur den spätestens seit Haydn populären Streichquartetten einige sehr wichtige Beiträge hinzufügen, er experimentierte bisweilen auch mit Besetzungen-man denke nur an das ungewöhnlich besetzte Streichquintett in C-Dur mit zwei Celli (statt zwei Bratschen) oder an das Forellenquintett, D 667 einem Klavierquintett mit nur einer Violine, dafür aber mit Cello und Kontrabass-und mit ungewöhnlichen Instrumenten. So schrieb er für die Arpeggione (einem sechssaitigen Streichinstrument mit dem Korpus einer Gitarre) eine auch heute noch oft aufgeführte Sonate mit Klavierbegleitung, wenngleich die Arpeggione üblicherweise mit einem Cello ersetzt wird. Wenn ich schreibe, dass er wirklich zahlreiche Aufnahmen der Schubert'schen Werke gibt, so muss ich einschränkend hinzufügen, dass diese in den allermeisten Fällen auf modernen Instrumenten eingespielt wurden. Es ist erstaunlich, dass im Zuge der historischen Aufführungspraxis immer noch verhältnismäßig wenig Kammermusik-Einspielungen auf authentischen Instrumenten gibt. So gibt es zwar von der Arpeggione-Sonate über 20, vom Forellenquintett sogar über 40 Aufnahmen auf dem Markt, auf den wenigsten kommen aber Instrumente der Epoche (oder authentische Nachbauten) zum Einsatz. Nun haben ausgewiesene Fachleute für historisch-informiertes Musizieren aus Belgien und Deutschland unter der Leitung des belgischen Hammerklavier-Spezialisten Jan Vermeulen diese beiden Kammermusik-Kleinode für das niederländische Label Etcetera aufgenommen. Vermeulen hat seine besondere Affinität zu Schubert bereits mit seiner hochgelobten Gesamteinspielung der Klaviermusik Schuberts (auf sechs Doppel-CDs, 2006-2010, ebenfalls auf Etcetera) unter Beweis gestellt. Anstatt des heute quasi nicht mehr verfügbaren Arpeggione spielt die belgische Cellistin France Springuel ein Cello Piccolo, das hinsichtlich Klangfarbe und -Charakter dem Arpeggione stark ähnelt und das sehr gut mit dem Nannette-Streicher-Fortepiano (von 1826) harmoniert, dass Vermeulen bei der Sonate spielt. Hier ein Video mit dem ersten Satz der Arpeggione-Sonate: Schuberts Kammermusik wirkt auf Originalinstrumenten gespielt deutlich anders als man sie gewöhnt ist. Der schlankere Klang der Instrumente rückt das Frühromantische, das immer wieder so stark bei Schubert betont wird, viel weiter in den Hintergrund. Stattdessen erklingt Schuberts Musik, zumindest beim Forellenquintett, noch fest verwurzelt in der Wiener Tradition, einem Haydn und Beethoven deutlich näher als einem Mendelssohn oder Schumann (oder gar einem Brahms). In der "romantischeren" Arpeggione-Sonate wirken die gefühlvollen Passagen deutlich behutsamer und insgesamt ist die Dominanz der Solostimmen hier längst nicht so eindeutig, wie vergleichbaren Einspielungen auf modernen Instrumenten. Die wärmeren Streicher harmonieren gut mit dem fragilen Fortepiano-Klang, hinzu kommt, dass Jan Vermeulen für diese Aufnahme ein so harmonisches Ensemble von exzellenten Solisten (France Springuel, vc; Christine Busch, vl; Paul De Clerck, va; Jan Buysschaert, kb) geformt hat, dass man kaum glauben mag, dass es sich hierbei nicht um eine seit langer Zeit eingespielte feste Gruppe handelt.So locker, so tänzerisch, so verspielt hört man Schubert nicht immer. Eine aufschlussreiche, überraschende und überaus gelungene Neueinspielung dieser beiden Highlights im Oeuvre Schuberts. Sal Pichireddu

--Musicweb international

This coupling of the Arpeggione Sonata and the Trout Quintet brings together two of Schubert's sunniest and most melodic chamber works, in irresistible performances. The sonata, as its name suggests, was written for the arpeggione, an instrument that resembled a cross between a guitar and a cello. The arpeggione had gone out of favour by the time Schubert's sonata was published in 1871; today the work is usually performed on the cello. It is a spacious work with a placid Allegro moderato, a brief Adagio and an Allegretto finale in rondo form. The Arpeggione is not as tightly constructed as the cello sonatas of Brahms, having a tendency to meander, but its melodic flow is ceaseless and its mood generally pastoral. The Arpeggione presents numerous difficulties when playing the work on a modern cello. There are sustained passages which lie very high, together with some awkward leaps. In this recording France Springuel uses a five string cello piccolo, a modern copy of a 17th century Italian instrument. According to the liner-notes this both equates to the tone of the arpeggione and reduces the technical problems encountered on the modern cello. The pianist, Jan Vermeulen, plays an original 1826 Streicher fortepiano. This combination has quite a different sound to a modern instrument duo, being softer and tonally less penetrating; to compensate, there is an increase in intimacy that suits the work very well. France Springuel's instrument has a small but rather silvery sound; the bottom strings are quite resonant, but the harmonics don't ring out as on a modern cello. Her fine legato playing and discriminating use of vibrato create a soulful, rather inward mood in the slow movement. Springuel makes the most of her cello's tonal resources; at the beginning of the finale, for example, she plays a little closer to the bridge to add intensity. The more brittle sound of the fortepiano helps the duo to achieve a better balance by comparison with most modern instrument performances. Credit should also be given to Vermeulen in generously supporting the solo line. This is a cultivated yet fully emotionally realised performance; it would not be out of place in a domestic setting such as the "Schubertiades"in which much of Schubert's music was first heard. Mstislav Rostropovich's 1968 recording of the Arpeggione with Benjamin Britten was reissued on Decca in their Legendary Recordings series in 1999 together with the Five pieces in folk style by Schumann and the Sonata by Debussy. Theirs is a memorable collaboration; Rostropovich's large and beautiful sound is underpinned by Britten's discreet accompaniment. This is more a performance for the concert hall, in the grand manner, taking over four minutes longer than Springuel and Vermeulen. The Trout takes its name from the fourth movement, which is a set of variations on a theme from Schubert's song Die forelle, D 550. The unusual instrumentation, featuring a double bass in place of a second violin, stems from its being commissioned by the amateur cellist Sylvester Paumgartner, who wanted a work with the same instrumentation as the quintet arrangement of Hummel's Septet, op. 74. The presence of the double bass frees the cello from its usual role as a bass instrument, allowing Schubert to treat it as a melodic instrument in the ensemble. Schubert also gave the piano quite a deal of octave writing high in the treble, to counterbalance the two bass instruments. The first movement of the quintet begins in vivacious style, and settles into an ideal tempo, animated yet relaxed. The dynamics are nicely shaped, and the ensemble playing is extremely sensitive. The duo playing between the strings is quite delightful in the second movement; the violinist is perhaps a little recessive from time to time. The third movement is taken at a fairly brisk tempo, and maintains the rhythmic tautness of the previous movements. The "Trout"theme floats in beguilingly at the beginning of the fourth movement. The violin accompanies the viola and cello selflessly in the second variation, while the left hand of the fortepiano is thunderous in the minor variation. The finale begins - like its counterpart in the B flat major sonata D 960 - with an octave in the fortepiano. The question-and-answer phrases are not rushed or bitten off at the ends, as is often the case, and the ensemble generates quite a deal of energy in the long crescendos. There is no star in this show to be accommodated; everyone is as happy to accompany as to take the melody. This is that rarity among recordings, one which sounds like a group of friends playing together for sheer enjoyment. The fortepiano seems a little more forward in the balance than in the sonata, which helps its small sound to be heard. The recording has a natural effect in an acoustic that complements such fine playing. Competition is intense among recordings of this mainstay of the chamber repertoire. Emil Gilels recorded the Trout with members of the Amadeus Quartet in 1976. That performance has all the vigour and energy one would expect, yet by comparison with Vermeulen and his ensemble it is rather hefty. After hearing this performance, one comes away with the feeling that the original instruments have a definite advantage in terms of balance, and achieving a blend that is less tiring to the ear. Guy Aron

mei 2010--Crescendo

Il suffit en effet d'écouter la première pièce du CD 1, la célèbre Wanderer-Fantasie, pour situer les choses. Considérée comme étant l'oeuvre techniquement la plus difficile de celles écrites par le compositeur, elle est très exigeante tant pour l'interprète (Schubert n'aurait semble-t-il jamais pu la jouer) que pour l'instrument. La délicatesse du son entraîne le chatoiement et n'empêche ni l'énergie ni la chaleur, la palette des couleurs est superbe. A aucun moment Vermeulen ne témoigne de la moindre mièvrerie, il empoigne la Wanderer à pleines mains, la laisse échapper dans une tendre évanescence, s'égarer dans le rêve avant de reprendre contact avec la terre ferme. Les atmosphères des danses D365 et D790 reflètent le subtil équilibre entre la fraîcheur de l'élément populaire, ll'apparence de l'improvisation, la réflexion et parfois même la gravité. Les sonates D157 et D566/506 bénéficient du même traitement de faveur. Une vision forte et engagée, chaleureuse et généreuse, incontournable pour tous ceux qui aiment Schubert... et pour ceux qui voudraient l'aimer. Alain Derouane . .

april 2010--Crescendo

Schubert reste Schubert, heureusement et tout aussi heureusement Vermeulen reste Vermeulen. Sa connivence avec le merveilleux instrument évoqué ci-dessus entre dans la cadre d'une triple symbiose, le compositeur s'y ajoutant. On connaît l'attrait manifesté de longue date par l'artiste pour le compositeur viennois, cette longue fréquentation a atteint maintenant sa phase de rayonnante maturité. Ce qui est présenté ici appartient à la classe de ces productions d'exception qui amènent dès les premières notes la sensation que "c'est ainsi que cela doit être joué". Alain Derouane .

maart 2012--Knack

Twee muzikanten vonden eind 2010 de perfecte kamermuziekpartner in elkaar: France Springuel en Jan Vermeulen. Na een eerste Schubert-plaat vorig jaar, ligt er nu een tweede cd in de winkels met werken voor pianoforte en cello van Robert Schumann. Een magistrale opname. Eerder speelden hun levens zich in aparte werelden af-die van de moderne en die van de oude instrumenten. Maar één telefoontje van Jan Vermeulen en een week bedenktijd deden Springuel besluiten om ervoor te gaan. Zij werkte zich technisch en stilistisch grondig in, bespande haar Tomaso Balestrieri (Cremona, 1752) met darmsnaren, en legde zich met heel haar hart toe op Beethoven, Schubert en Schumann. Aan haar zijde pianoforte-kenner, pedagoog en gerenommeerd Schubert-vertolker Jan Vermeulen, vorig jaar nog door Klara tot Musicus van het jaar gekroond. Hij is voor haar natuurlijk ook voor een stukje mentor in deze materie. Vermeulen bespeelt hier zijn fantastisch mooie Tröndlin (Leipzig, 1835), hét instrument van Schumann. En... het resultaat is magie in de Fantasiestücke op.73, Drei Romanzen op.94, Adagio en Allegro op.70, Märchenbilder op.113 en Fünf Stücke im volkston op.102... sterk emotioneel geladen composities uit het jaar 1849 waarin een zoveelste depressie Schumanns creativiteit sterk aanwakkerde. Wat maakt deze uitvoering nu zo bijzonder en zelfs uitzonderlijk? De instrumenten, om te beginnen. De lichtere klank van de darmsnaren lijkt als vanzelf ineen te vloeien met de warme sonore bassen van de 80 jaar jongere Tröndlin. Mit innigem Ausdruck, mit melancholischem Ausdruck, Zart und mit Ausdruck, Rasch und feurig,... de instrumenten lijken niet alleen de perfecte tolk voor Schumanns pertinente voorschriften, ze maken van de vaak 'donker' en getormenteerd geïnterpreteerde partituur een transparantere en meer verinnerlijkte vertelling. Een ander opvallend punt. Springuel en Vermeulen respecteren rigoureus iedere tempoaanduiding van Schumann, zelfs als dat zoals in het eerste deeltje van 5 Stücke in Volkston haast onspeelbaar is. Schumann die zelf geen strijkinstrument bespeelde trok zich niets aan van de moeilijkheidsgraad... maar dit duo heeft erop gewerkt tot het lukte. Het herinnert er ons bovendien aan dat France Springuel tot tien jaar geleden nog als een van 's werelds grootste cellisten 6 maanden per jaar op de wereldpodia speelde, en dat 25 jaar lang. Dat ze nu terug is, na een persoonlijke 'innere Reise', is een zegen voor de muziek en voor het publiek. Een derde opvallend punt is het samenspel, een perfect geoliede machine waarin zij een zeldzaam begrip tonen voor elkaars inbreng en betrokkenheid. Hun interpretatie is dienend, sereen, en ongelofelijk bevlogen en pakkend. Ze getuigt van een rijpheid, eigen aan professionals van een zekere leeftijd en met een palmares van betekenis. Ze hoeven niets meer te bewijzen, enkel de muziek te laten spreken. Toevallig, maar ook niet helemaal, hoorden we Jan Vermeulen en France Springuel dit programma afgelopen zondag spelen in de Gentse Parnassuskerk. We wilden weten of dit live ook zo zou overkomen... En jawel. Indrukwekkend was te zien en te horen hoe beiden kamermuziek speelden, als twee lepeltjes in elkaar. Eén golf, één beweging, één lichaam dat ademt, één visie. Blijkbaar was de cd-opname ook 'in één geut' kunnen gebeuren. Dit kamermuziekgeluk is zeldzaam, maar het bestaat dus écht. Tot slot: Robert Schumann heeft ooit gezegd: "De missie van de kunstenaar is licht te sturen naar de diepte van het menselijk hart". Met deze pakkende vertolking van Schumanns innerlijke pijn is die missie alvast volbracht. Greet Van 't veld

mei 2010--Crescendo

Il suffit en effet d'écouter la première pièce du CD 1, la célèbre Wanderer-Fantasie, pour situer les choses. Considérée comme étant l'oeuvre techniquement la plus difficile de celles écrites par le compositeur, elle est très exigeante tant pour l'interprète (Schubert n'aurait semble-t-il jamais pu la jouer) que pour l'instrument. La délicatesse du son entraîne le chatoiement et n'empêche ni l'énergie ni la chaleur, la palette des couleurs est superbe. A aucun moment Vermeulen ne témoigne de la moindre mièvrerie, il empoigne la Wanderer à pleines mains, la laisse échapper dans une tendre évanescence, s'égarer dans le rêve avant de reprendre contact avec la terre ferme. Les atmosphères des danses D365 et D790 reflètent le subtil équilibre entre la fraîcheur de l'élément populaire, ll'apparence de l'improvisation, la réflexion et parfois même la gravité. Les sonates D157 et D566/506 bénéficient du même traitement de faveur. Une vision forte et engagée, chaleureuse et généreuse, incontournable pour tous ceux qui aiment Schubert... et pour ceux qui voudraient l'aimer. Alain Derouane . .

april 2010--Crescendo

Schubert reste Schubert, heureusement et tout aussi heureusement Vermeulen reste Vermeulen. Sa connivence avec le merveilleux instrument évoqué ci-dessus entre dans la cadre d'une triple symbiose, le compositeur s'y ajoutant. On connaît l'attrait manifesté de longue date par l'artiste pour le compositeur viennois, cette longue fréquentation a atteint maintenant sa phase de rayonnante maturité. Ce qui est présenté ici appartient à la classe de ces productions d'exception qui amènent dès les premières notes la sensation que "c'est ainsi que cela doit être joué". Alain Derouane .

14 juni 2010--Knack.be

Wat ik gisteren in het kerkje in Vucht hoorde, blies mij van mijn sokken. Krop in de keel. Wij stellen ons Schubert voor op moderne piano, en denken dan dat we alles gehoord hebben en iedere noot kennen. Na zo'n concert als dit, weet je wel beter. Ik behoor absoluut niet tot de blind believers, maar als iets historisch juist en authentiek wordt genoemd blijft dat voor mij dode letter als het niet ook fantastisch klinkt. Of beter klinkt. Ik moet de verbetering echt kunnen horen. Orkesten met oude instrumenten hoeven mij al lang niet meer te overtuigen, maar het gekletter van oude piano's heeft mij al vaak gestoord. Wel, deze Nanette-Streicher, zoals hij bespeeld wordt door Jan Vermeulen (geen onbelangrijke nuance!), heeft mij helemaal overtuigd. Ik heb opnieuw kennisgemaakt met Schubert en met een nog rijkere gevoelswereld. Ik heb met nieuwe oren geluisterd. Ik heb kleuren en een soort dramatiek gehoord die geen enkel modern instrument kan opwekken. En vooral, hij heeft mij ontroerd op plaatsen in de partituur die mij al lang niet meer ontroerden. Volgend seizoen krijgt Nanette de pianotrio's van Schubert over zich heen. Jan Vermeulen kan weer aan de slag, en wij hebben iets om nu al reikhalzend naar uit te kijken. Voor wie nog twijfelt: de reeks van 6 dubbel-cd's op het label Etcetera met aanzienlijke selectie uit het klavieroeuvre van Schubert - zo'n 15u muziek! - wordt u zeer warm aanbevolen. Greet Van 't veld

november 2009--International Record Review

...One of the more distinctive and enjoyable of these is by the superb Dutch pianist Jan Vermeulen, whose series of two-disc sets has now reached its fifth volume. Far from the least interesting feature of the project is Vermeulen's choice of instrument: an antique Viennese fortepiano by Nanette Streicher (née Stein) from 1826...The character of the instrument's individual registers, the warmth and refinement of its sound and its power at full throttle make it seem, under the sophisticated and cultivated touch of Vermeulen, the ideal vehicle for Schubert ...Vermeulen's performances exude the pleasure of kinesis and, in the two large sets, revel in the fecundity of Schubert's imagination... Its relative naivety seems, in this loving performance, not a liability but a strength...this performance emphasizes the cohesion of the entire sonata. However, it is the mighty Wandererfantasie that claims the spotlight in this programme and, frankly, I know of no better performance, on historical pianos of modern ones. Compare interpretations as varied as those of Brendel, Richter and Perahia, and though each has great strengths, none so fully portrays the proportions, the shapes and textures, or the sheer drama of this difficult but magnificent work. If one doubted that the Wanderer - a piece that, like the Emperor and the Hammerklavier, seems to tax the capacities of the modern concert grand - could ever really satisfy on an early nineteenth-century Viennese piano, Vermeulen has provided irrefutable and eloquent evidence to the contrary. Very highly recommended. Patrick Rucker.

november 2009--Early Music Review

This series continues to be most impressive. Vermeulen must be the ideal Schubert player, and the instrument, a superbly restored Streicher und Sohn of 1826, has an astonishing range of dynamics form a powerful fortissimo to an especially beautiful pianissimo, and it has a wonderful clarity of articulation. What more need I say? Except to repeat the advice I gave in the April EMR: if you haven't already come across these discs, buy the whole set immediately! Richard Maunder

juli 2007--All Music

Pianist Jan Vermeulen (...) makes a very strong case for hearing some major Schubert pieces as Schubert heard them. (...) The album would rank as an exceptional example of the analysis of an instrument's potentialities by a performer (...) and Vermeulen's performances are powerfully expressive. (...) What makes Vermeulen's performance remarkable is that he zeroes in on the passages where Schubert broke free of Beethovenian models and uses the unique qualities of the piano to highlight them. Nowhere is this more true than in the Andantino second movement of the Piano Sonata in A major, D. 959. (...) Vermeulen pushes the fortepiano to its limits in an absolutely riveting performance. In general Vermeulen tends to accent the impromptu-like passages in Schubert, which in conventional performances tend to come off as relaxed and lyrical, with a good deal of expressive tension and tempo flexibility. He does best in movements with a wide variety of textures, and another highlight is the massive opening movement of the unfinished "Reliquie" Piano Sonata in C major, D. 840., whose size seems almost amplified by the range of sounds that come out of Vermeulen's fortepiano. Constantly surprising, this album stands up to doubts and makes you hear Schubert in some entirely new ways. James Manheim

oktober 2007--Early Music Review

It's a real treat to hear some of Schubert's finest works for piano so well played on a Streicher und Sohn exactly contemporary with the music. The instrument is beautifully balanced, with a powerful bass and sonorous tenor [...]. Vermeulen is admirably expressive, and makes full use of the instrument's wide dynamic range in some really dramatic contrasts. His articulation is very clear, and in particular staccato bass notes make their proper effect instead of being blurred by the sustaining pedal as usually happens on the modern piano. Above all, he can make a tune really sing, with subtle control of rhythm and dynamics. [...] This is a very impressive achievement, and can be highly recommended. Richard Maunder

februari 2008--De Volkskrant

Uit de derde aflevering [van 'F. P. Schubert Works for Fortepiano'] blijkt andermaal dat dit geen Schubert is voor de argeloze luisteraar. [...] Maar wanneer je de grote Sonate in Bes-groot (D960) nog eens beluistert, en nog eens, daagt het besef dat dit schrale karakter misschien wel prima past bij een stuk dat in mijmerende thematieken filosofische vergezichten schetst. En liever dan vrome biedermeierhoop biedt Jan Vermeulen realistisch eindigheidsbesef. De sonates D845, D459 en D575 zou je een vleug pathetiek gunnen, maar toch: radicale Schubert is ook Schubert. Guido van Oorschot

November/December 2007--International Piano

Jan Vermeulen is more of a Classicist, less inclined to dream or dwell on a particular turn of phrase, although his micro-fine phrasal inflections ensure that absolutely nothing is taken for granted. As recorded, Vermeulen comes across as an [...] essentially extrovert voice, gently cushioned in a warm acoustic [...]. Where Vermeulen's 1826 Streicher really comes into its own is in the neurotic changeability of the Impromptus, exchanging the emotional comfort zone of many modern piano versions to chilling musical statements of profound loneliness and desolation. Julian Haylock

28 november 2007--Knack

De sonate [D960] lijkt berusting en zelfs vreugde uit te ademen, maar met een onderstroom van heftige, rusteloze nieuwsgierigheid. Net dat wist Jan Vermeulen bijzonder goed te treffen. Wie deze sonate alleen op een vleugel heeft gehoord, mist een deel van de bijna fysieke doodsstrijd die ze tot een van de grootste pianowerken aller tijden maakt. Luister naar deze indrukwekkende cd [Franz Peter Schubert, Works for Fortepiano vol. III, Etcetera] met je ogen toe, en je hoeft maar je hand uit te steken om Schubert aan te raken. Peter Vandeweerdt

december 2008--International Record Review

There is real contrast in these performances, form works as lyrical as D459 and D960, in which he displays the utmost sensitivity, to the Sonata in A minor, D845, which here receives an interpretation of Beethovenian muscle and intellectual rigour, one in which Vermeulen shows no restraint whatsoever and one whose exertions the instrument appears to narrowly withstand. This is very fine playing indeed: those who have invested in this series are unlikely to be disappointed.

april 2008--Monde de la Musique

Vermeulen fragilise Schubert en même temps qu' il met en valeur ses élans de jeune homme.

april 2008--International Piano

Vermeulen clearly has a special sense of identity with the composer, playing with a poetic flexibility and improvisatory freedom. In Vermeulen's persuasive hands one quickly adjusts to the shock of the new.

6-7 januari 2007--De Standaard

Cruciaal in deze opname is het perfecte aanvoelen tussen uitvoerder en instrument. De veelvuldige harmonische kantelmomenten waarin Schubert zo bedreven is, krijgen telkens een apart timbre toebedeeld. Opvallend is de handigheid waarmee Jan Vermeulen de flexibele klank van het fragiele instrument boetseert.

juni 2007--Archiv Klassik Kritiken

Der trockene Klang passt gut zum Spiel des belgischen Hammerflügelspezialisten Jan Vermeulen. Metrisch zuverlässiger und präziser als Paul Badura-Skoda in seiner Gesamtaufnahme bietet Vermeulen einen klassisch-strengen Schubert, der selbst in den Ausbrüchen der c-moll- und A-Dur-Sonaten noch Maß und Konzilianz bewahrt. Auftrumpfen kann das Team Streicher/Vermeulen überall dort, wo es lakonisch wird: Im Andantino der A-Dur-Sonate beispielsweise, das eine geradezu gespenstische Starre gewinnt, oder in den beiden Scherzi D 593, in denen ein eckig-altväterlicher, ans Parodistische grenzender Charme überrascht.

--Diapason

Le musicien belge met à profit la palette réduite dont il dispose; les accentuations nerveuses et parfois un peu sèches, ou encore les grondements sourds (...). Vermeulen ne manque pas d'atouts pour se faire une place enviable au sein du club assez fermé des interprètes de Schubert sur pianoforte.

december 2006--Amazon.co.uk.

I am captivated not just by the music but by the performances. Vermeulen seems to me to understand Weber and to love the pieces. The beautiful melodies are beautifully played, the tone is strong but never forced, the tempi sound about right to me and there is a festive feel about the whole recital, even in the minor-key works. The first movement of the third sonata is marked `allegro feroce', and I confess that all I was capable of by way of a reaction before hearing the piece played was `Oh I say!' Weber had a sense of humour, witness his description of the start of Beethoven's fourth symphony `Every quarter of an hour one hears three or four notes.' The ferocity here in his sonata is similarly tongue-in-cheek, the direction is hyperbolic and ironic, and Vermeulen seems to get the hang of what it all means perfectly. I like his handling of the rhythm too, particularly his flexibility and sense for rubato in the very long first movement of the second sonata, in which as in the other first movements he observes the repeat...I feel a sense of something like relief as well as the enormous pleasure that this set gives me. I might never even have heard these lovely sonatas. The rest will be silence sooner or later, and these are sounds I ought not to have missed.

mei juni 2009--fanfare

...Vermeulen is a wonderful Schubert player. He is a dynamic musician as well as a sensitive one, meeting all the demands of the composer's varied moods and styles. The opening movements of the two late sonatas, D 958 and D 959, for example, with their stormy beginnings, are played with dramatic abandon and passion, while the slow movements radiate a lyrical calm, their singing melodies played sensitively, with nuance, but without exaggeration. He subtly captures the playful bumptiousness of the Scherzos, in the sonatas as well as in the Two Scherzos. Altogether, Vermeulen makes a persuasive case for Schubert on the fortepiano. This set is enthusiastically recommended. Susan Kagan


MANAGEMENT

Renate Leysen

renate.leysen @gmail.com
Tel: +32 498 50 26 66




Pianoforteduo Vermeulen Peeters

www.duovermeulenpeeters.com

Cd 3 van de zevendelige reeks met Schuberts integrale oeuvre voor vierhandig klavier bij het label Etcetera is verschenen!

Programma: Sonate in C, D823 Grand Duo

Sechs Polonaisen, D824

Concerttrip naar Zagreb in februari

Recital in Duitsland in juni (Markt Nordheim)


file://localhost/Users/hermanvanspauwen/Desktop/Jan%20Vermeulen/Fotos/fotoshoot092013%207.jpg  1ee5b65034ffb600419087dc690e7004.jpg